90. Niet te lang

16-05-2013 10:45 | Columns | auteur Marcel Heinsbroek
Na al die jaren vind ik dat ik nog steeds het mooiste beroep ter wereld heb. Alleen hoef ik daar niet 24 uur per dag mee bezig te zijn. Er is nog wel meer in de wereld dan die vrachtauto. Ik mag mij graag onderhouden met familie en vrienden, en liefst niet alleen in het weekend, of op werkdagen per telefoon.
Overuren maken vind ik niet erg, maar 10 tot 12 uur per dag werken is mij lang genoeg. Ik verkeer wel in een luxepositie: mijn vrouw Tineke en ik hebben allebei een baan van (minstens) 40 uur per week, dus er komt sowieso voor 80 uur arbeidstijd geld binnen. U begrijpt dat een overuurtje meer of minder er niet zo toe doet.
Vandaar dat ik "Ja, graag!" zei toen mijn huidige werkgever begin 2012 aan mij vroeg of ik zin had om in een nieuwe ploegendienst te gaan meedraaien. In januari begon ik daaraan, en ik mag u verklappen: het beviel mij zeer goed.
Van 's morgens 07:00 uur tot 's middags 15:00 uur, of van 's middags 15:00 uur tot 's avonds 23:00 uur. Nog aardig werk ook, wat ik al eerder beschreef in de column 'Aan de lijn'.
Er was echter een probleem: de collega die de andere dienst draaide. Deze man, die ik uit privacyoverwegingen hier maar Lawrence of Eastforne zal noemen, bleek een Zenuwpees Eerste Klas te zijn en over een voorraad ongeduld te beschikken die mijn geduld aardig op de proef stelde. Door zijn haast trok hij diverse malen de luchtslangen, die tussen de trekker en de oplegger zitten voor het bedienen van de remmen, kapot omdat hij dan wel de oplegger had afgekoppeld maar niet die slangen. "Pang!" en "Psssss!" hoorde men dan en vervolgens werd er weer een hoop tijd verloren met reparaties en dergelijke.
Over zijn ongeduld hoorde ik dan weer verhalen bij verschillende containerterminals en fabrieken, meestal in de trant van: "Wie was die kwibus die hier vanmorgen met jouw auto was?" Dat was dan weer het voor- en gelijk het nadeel van die ene witte Volvo FM in een verder knalrood Volvo FH wagenpark: we waren overal bekend, soms gunstig, soms ongunstig.

Lawrence of Eastforne kon het allemaal niet bolwerken en na een paar maanden ploeteren gaf hij de pijp aan Maarten. Daarmee kwam, tot mijn grote spijt, ook een eind aan deze ploegendienst, al kreeg ik wel de boodschap dat men verder wilde met zo een ploegendienst, maar dan in een iets andere vorm. En 'men' hield woord.
Enige maanden later werd er weer een nieuwe dienst gestart, waarbij het de bedoeling was dat ik vanaf 'de fabriek' naar de tankreiniging, de diverse inspectie- en reparatieafdelingen en af en, indien nodig naar een of andere containerterminal zou rijden. Een van de collega's van 'de fabriek' zou met zijn terminaltrekker op en neer gaan rijden naar een VatenVulBedrijf, een ritje van drie kilometer heen en drie kilometer terug. In noodgevallen of bij te weinig van mijn eigen werk moest ik dat dan 'af en toe' doen.
Leuk bedacht, maar ja: hoe gaat dat; in een team van drie ploegen en in totaal 15 tot 18 personen is er altijd wel iemand ziek, zwak, misselijk of gewoon vrij, en ook terminaltrekkers gaan wel eens kapot. Ziekte en 'kapot' werden dan opgevangen door mijn pendelcollega en vervolgens kon ik weer op en neer tussen Fabriek en VVB. Uiteindelijk deed ik drie maanden lang niet veel anders dan dat.
Ik heb het zojuist nog eens nageteld, makkelijk zat want ik noteerde elke rit op een door mijzelf gemaakte ritlijst, en in die drie maanden heb ik 700 keer omgekoppeld. Geen grap: echt waar! Gemiddeld tien keer per dienst en ik heb het zeventig werkdagen volgehouden: toen was ik er helemaal klaar mee. Gelukkig had mijn werkgever begrip voor mijn bezwaren en zo werd ik weer van de ploegendienst en het pendelwerk gehaald en in het gewone werk geplaatst. Nou ja, gewoon: het waren weer ouderwets lange dagen.
Maar vrienden: er ligt voor mij weer iets moois in het verschiet. Dubbel fun zelfs, want ik ga, overigens wel op proef, weer een nachtdienst draaien, en nog wel met een fijne auto ook! Hoe het precies gaat werken is nog niet helemaal duidelijk maar het wordt leuk: niet te vroeg beginnen en niet te laat klaar. Niet te veel af- en aankoppelen, maar op- en afzetten op een makkelijke terminal die dag en nacht open is. Dat is deel één van de fun. En het tweede deel? De auto. Ik krijg een M.A.N. truck en aan dat merk heb ik goede herinneringen.

De kar staat al klaar, zoal u hier kunt zien. Eén minpuntje: deze wagen is niet wit...
Overuren maken vind ik niet erg, maar 10 tot 12 uur per dag werken is mij lang genoeg. Ik verkeer wel in een luxepositie: mijn vrouw Tineke en ik hebben allebei een baan van (minstens) 40 uur per week, dus er komt sowieso voor 80 uur arbeidstijd geld binnen. U begrijpt dat een overuurtje meer of minder er niet zo toe doet.
Vandaar dat ik "Ja, graag!" zei toen mijn huidige werkgever begin 2012 aan mij vroeg of ik zin had om in een nieuwe ploegendienst te gaan meedraaien. In januari begon ik daaraan, en ik mag u verklappen: het beviel mij zeer goed.
Van 's morgens 07:00 uur tot 's middags 15:00 uur, of van 's middags 15:00 uur tot 's avonds 23:00 uur. Nog aardig werk ook, wat ik al eerder beschreef in de column 'Aan de lijn'.
Er was echter een probleem: de collega die de andere dienst draaide. Deze man, die ik uit privacyoverwegingen hier maar Lawrence of Eastforne zal noemen, bleek een Zenuwpees Eerste Klas te zijn en over een voorraad ongeduld te beschikken die mijn geduld aardig op de proef stelde. Door zijn haast trok hij diverse malen de luchtslangen, die tussen de trekker en de oplegger zitten voor het bedienen van de remmen, kapot omdat hij dan wel de oplegger had afgekoppeld maar niet die slangen. "Pang!" en "Psssss!" hoorde men dan en vervolgens werd er weer een hoop tijd verloren met reparaties en dergelijke.
Over zijn ongeduld hoorde ik dan weer verhalen bij verschillende containerterminals en fabrieken, meestal in de trant van: "Wie was die kwibus die hier vanmorgen met jouw auto was?" Dat was dan weer het voor- en gelijk het nadeel van die ene witte Volvo FM in een verder knalrood Volvo FH wagenpark: we waren overal bekend, soms gunstig, soms ongunstig.

Lawrence of Eastforne kon het allemaal niet bolwerken en na een paar maanden ploeteren gaf hij de pijp aan Maarten. Daarmee kwam, tot mijn grote spijt, ook een eind aan deze ploegendienst, al kreeg ik wel de boodschap dat men verder wilde met zo een ploegendienst, maar dan in een iets andere vorm. En 'men' hield woord.
Enige maanden later werd er weer een nieuwe dienst gestart, waarbij het de bedoeling was dat ik vanaf 'de fabriek' naar de tankreiniging, de diverse inspectie- en reparatieafdelingen en af en, indien nodig naar een of andere containerterminal zou rijden. Een van de collega's van 'de fabriek' zou met zijn terminaltrekker op en neer gaan rijden naar een VatenVulBedrijf, een ritje van drie kilometer heen en drie kilometer terug. In noodgevallen of bij te weinig van mijn eigen werk moest ik dat dan 'af en toe' doen.
Leuk bedacht, maar ja: hoe gaat dat; in een team van drie ploegen en in totaal 15 tot 18 personen is er altijd wel iemand ziek, zwak, misselijk of gewoon vrij, en ook terminaltrekkers gaan wel eens kapot. Ziekte en 'kapot' werden dan opgevangen door mijn pendelcollega en vervolgens kon ik weer op en neer tussen Fabriek en VVB. Uiteindelijk deed ik drie maanden lang niet veel anders dan dat.
Ik heb het zojuist nog eens nageteld, makkelijk zat want ik noteerde elke rit op een door mijzelf gemaakte ritlijst, en in die drie maanden heb ik 700 keer omgekoppeld. Geen grap: echt waar! Gemiddeld tien keer per dienst en ik heb het zeventig werkdagen volgehouden: toen was ik er helemaal klaar mee. Gelukkig had mijn werkgever begrip voor mijn bezwaren en zo werd ik weer van de ploegendienst en het pendelwerk gehaald en in het gewone werk geplaatst. Nou ja, gewoon: het waren weer ouderwets lange dagen.
Maar vrienden: er ligt voor mij weer iets moois in het verschiet. Dubbel fun zelfs, want ik ga, overigens wel op proef, weer een nachtdienst draaien, en nog wel met een fijne auto ook! Hoe het precies gaat werken is nog niet helemaal duidelijk maar het wordt leuk: niet te vroeg beginnen en niet te laat klaar. Niet te veel af- en aankoppelen, maar op- en afzetten op een makkelijke terminal die dag en nacht open is. Dat is deel één van de fun. En het tweede deel? De auto. Ik krijg een M.A.N. truck en aan dat merk heb ik goede herinneringen.

De kar staat al klaar, zoal u hier kunt zien. Eén minpuntje: deze wagen is niet wit...
