Clicky


103. Haast, naar het scheen

103. Haast, naar het scheen
02-12-2013 09:59 | Columns | auteur De Redactie

Wanneer ik op donderdagmiddag de werkopdracht voor vrijdagochtend zie, bel ik gelijk mijn planner op. "Hoi Jan, met Marcel. Die begintijd; da's zeker een tikfout?"

Even ter verduidelijking: Jan heet geen Jan maar hij en ik zijn tot de tiende van de (elke) volgende maand collega’s, dus om hem en mij nu het samenwerken onmogelijk te maken.

Jan lacht en vraagt: "Hoezo? Te vroeg?" Te vroeg? Dat kun je wel stellen. Ik zucht maar eens. "Beste jongen, om 4 uur aankoppelen is om half vier, kwart voor 4 beginnen en dat is voor mij om 3 uur mijn nest uit! Kan dat niet anders?”

Jammer genoeg is Jan onvermurwbaar. De klant in Kesteren wil om half 6 zijn spullen hebben, en daarom moet ik in het holst van de nacht vertrekken. Ook mijn voorstel om één van de collega’s die doordeweeks in de auto slapen de avond ervoor al naar Kesteren te sturen en daar voor de poort te laten staan slapen vindt bij Jan geen gehoor.

“Maar ik zorg er wel voor dat je op tijd naar huis kan, Mars.” Jaja, die ken ik. Al eerder ‘mocht ik op tijd naar huis’. Eén keer ging ik zo snel ‘op tijd’ naar huis, dat wil zeggen: ik probeerde de 3 uur verlating in te halen, dat ik er een bekeuring van €275,- aan overhield. Dank je, nee, dank mij de vliegensvlugge koekoek. 

Al met al gaat ’s morgens om 02:55 uur de wekker. Dat is inderdaad 5 minuten te vroeg, maar zo kan ik het ook eens 03:00 uur zien worden. Elke gek zijn gebrek, zal ik maar zeggen. Om 04:00 uur koppel ik het chassis met daarop de tankcontainer aan en om half zes ben ik bij de klant in Kesteren die inderdaad al staat te wachten en direct de tankcontainer aansluit en mij vervolgens meedeelt: "Zo, jij kan 3 uur gaan slapen."

Dat is natuurlijk niet tegen dovemansoren gezegd! Na het lossen en slapen is het rustig aan rap richting Rotterdam. Volgens de Rijtijdenwet is het zo dat wie vóór 5 uur ’s morgens begint, niet meer dan 10 diensturen mag maken en het lijkt mij nou aardig om dat zelf ook eens mee te maken.

Helaas.

Niet dat ik er echt op gerekend had, dat vroege naar huis, maar er komt nog een laadklusje langs. Een oplegger moet gevuld worden met Prut XYZ-001 en wie mag dat gaan doen? Inderdaad, u mag nooit meer raden. En daar begint het heel zachtjes met misgaan, want, al eerder gezegd: ik rekende niet op dat vroegertje, maar ik hoopte er stiekem wel op. Dus ben ik na het lezen van de opdracht toch een beetje narrig.

Dat wordt er, door het plotseling opkomende slechte weer, niet beter op. De vijf kwartier onder de laadpijp zit ik lijdzaam uit. Maar daarna is het dan ook snel gebeurd. Papieren ophalen bij de controlekamer, het terrein af en de oplegger afkoppelen bij de collega’s van de reinigingsafdeling die, met behulp van stoom, de inhoud van de tank, het Product XYZ-001, zullen opwarmen tot een temperatuur die het makkelijk lossen mogelijk maakt. Alleen heeft planner Jan’s vervanger, planner Piet, besloten dat het opwarmen vandaag niet met Stoom maar met Stroom moet plaatsvinden, en daarom moet ik, met een verslechterend humeur, het hele circus overrijden naar weer een andere afdeling, gelukkig maar 2 kilometer verderop, zijnde de parkeerplaats Chemiehaven, waar langs het hek diverse aansluitpunten zijn waar ik met een lang snoer de oplegger moet aankoppelen aan de elektriciteit; aan de prik zetten noemen wij dat.

Alleen moet ik een viergatscontrastekker hebben en die hangt er natuurlijk niet. Weer bellen met Piet, die mij doorverbindt met een of andere Arie die mij weer doorstuurt naar Rozenburg, 5 kilometer verderop voor het ophalen van de benodigde verlengsnoeren met contra(-produktief-)stekkers. En ook weer 5 kilometer terug, nietwaar?

Van al dat heen en weer gerij en gebel wordt mijn humeur niet beter en als vervolgens de verwarmingsunit van de oplegger ook nog eens niet wil aanslaan begint de narrigheid om te slaan in kriegeligheid. Uiteindelijk blijkt de storing van de unit helemaal niet in de unit te zitten maar in het elektrische aansluitpunt, maar eer ik daar achter ben, heb ik de trekker met oplegger al twee keer verzet. Maar goed, alles staat en werkt, nu alleen nog de trekker afkoppelen en dan echt naar huis.

Maar ja; kriegel en haast gaan niet samen en wanneer ik via het trapje aan de zijkant van de truck achter de cabine de cabine wil klimmen glij ik, in mijn haast, uit en roetsj ik met de scheen van mijn linkerbeen langs de rand van dit metalen klimhulpmiddel. Acuut voel ik het bloed mijn schoen inlopen. Pijn voel ik niet: in de afgelopen 30 transportjaren ben ik al zo vaak met mijn schenen tegen de randen van verschillende laadkleppen, rolcontainers, palletwagens en andere voorwerpen aan geknald dat ze eigenlijk permanent ongevoelig zijn. Ik hobbel dus gewoon, maar gehaast, verder.

Pas later, wanneer ik met wat collega’s aan het eind van onze werkdag aan de koffie zit, zie ik wat voor schade de val van het trapje heeft aangericht. Er is een behoorlijke lap vel, zeg maar stuk vlees, weg geschraapt waardoor er een groot gat in mijn been zit. Werkplaatschef Ed heeft verband en kennis van zaken, en verbindt de boel en deelt mede: “Dat moet gehecht worden. Eerst naar huis en dan naar de Eerste Hulp.”

Dat is dan de Tweede Hulp, want hij heeft echt zijn best gedaan. Zeggen ze in het ziekenhuis. Twee dames, een arts en een verpleegkundige, gaan aan de slag met naald en draad om de vellen daar te plaatsen en fixeren waar ze horen. De meiden betuttelen mij aardig: het ontbreekt er nog maar aan dat zij over mijn wang aaien of mij bij vertrek een knuffelbeertje willen meegeven ‘omdat je niet gehuild heb, stoere vent’! Mijn vrouw zit erbij en kijkt er naar en lacht zich rot. Met de woorden; “Verwent u ‘m maar een beetje, mevrouw” worden we weer buiten gezet.

 

En daar zit ik nu; met mijn been omhoog, op de bank. Voor het eerst sinds jaren blijkt mijn scheenbeen niet ongevoelig te zijn. Mijn vrouw gelukkig ook niet, maar ook dat weet ik al jaren. Even een paar dagen niet te veel lopen, dan de hechtingen er uit en dan weer aan de slag. Met wat minder haast.