Clicky


108. Het dak eraf

108. Het dak eraf
17-02-2014 09:47 | Columns | auteur De Redactie

Alle ingrediënten voor een interessante rit waren aanwezig: een goede auto, een leuke rondrit, kou, gladheid en heel veel donkerte. Nederland beleefde in dat jaar een weer een échte winter. Voor mij hoeft dat niet en nooit zo nodig. Wanneer het zo’n twintig graden dooit is een winter voor mij pas perfect. Ooit ga ik nog wel eens Kerstmis vieren in Australië, met kerstballen in de palmboom en een kerstman gekleed in een met een strandbal opgevuld zwempak aan het strand die ‘I ’m dreaming of a white Christmas’  zingt. Aan alle voornoemde personen, dat zijn de kerstman en ik: Keep on dreaming!!

Maar weer terug naar ons eigen, op dat moment koude, kikkerlandje.Ik was onderweg van Leeuwarden naar Emmeloord. Omdat het terrein bij de klant in Sneek al wekenlang bedolven lag onder een laag sneeuw van 30 centimeter en het voor mij daardoor onmogelijk was om bij hem complete pallets te bezorgen, had ik zijn bestelling bij zijn broer in Leeuwarden neergezet. Dat scheelde mij een hoop gehannes en het rijden over de door de winterse omstandigheden gladde provinciale weg N354.

Vannacht moest het maar wat makkelijker: via de rijksweg A32 naar Heerenveen en dan over de A7 en A6 naar Emmeloord. Maar ja; de gladheid had zich niet beperkt tot lokale wegen en zo bleek ook de autosnelweg een autolangzaamweg: smeer eens groene zeep op een bobsleebaan en u komt aardig in de buurt. Met een voor dit wegdek eigenlijk te hoge snelheid van maar liefst 70 hele kilometers per uur racete ik richting Heerenveen.

Hoewel het echt midden in de nacht was, een uur of drie of zo, werd ik toch nog een paar keer ingehaald door bestuurders van personenauto’s, meestal met een zo hoog tempo dat ik mij afvroeg of ze wel in de gaten hadden hoe glad het eigenlijk was. Wéér werd ik ingehaald door iemand met haast en snel verdwenen de rode achterlichten, over een kleine verhoging in de weg, in de duistere verte.

Toen ik zelf die verhoging bereed, zag ik opeens twee witte lichten mijn kant opkomen, en niet op de baan van het tegemoet komend verkeer, maar op mijn eigen rijstrook. Vervolgens slingerden de witte lampen naar rechts, waarna er twee rode lampjes zichtbaar werden die nog verder naar rechts afbogen en vervolgens plotseling verdwenen. Dat kon maar één ding betekenen: de auto die mij zojuist nog had ingehaald moest geslipt zijn en vervolgens van de weg geraakt.

En inderdaad. Een stukje verderop lag  een personenauto met zijn neus in de toch best wel ver van de weg liggende sloot. Brandende autoverlichting verraadde dat het een vers ongeluk was, en niet een restant van een paar dagen terug. Ik besloot te stoppen en even te kijken of ik ergens mee kon helpen. Nog tijdens het afdalen naar de slecht gelande auto ging de binnenverlichting van het voertuig branden en dat betekende dat in ieder geval één inzittende het ongeluk had overleefd.

In het wrak bleek er ook maar één persoon aanwezig te zijn, en ik deed een stap naar voren om het portier open te doen zodat de onfortuinlijke bestuurder kon uitstappen. Helaas stapte ik zelf met mijn linkerbeen in de sloot, wat een natte broekspijp en een ijskoude voet opleverde: mijn schoen stond diep in het ijskoude water en het ijskoude water stond hoog in mijn schoen. Het eerste wat uiteindelijk uit de gecrashte wagen stapte was de kegel van de bestuurder: hij had overduidelijk meer dan een slokje teveel op. Het werd voor mij tijd om de politie te bellen.

Omdat het buiten werkelijk steenkoud was zette ik de riekende en stamelende alcomobilist in de cabine van mijn vrachtauto zodat hij, overlevende van een toch wel heftig ongeluk, niet door onderkoeling alsnog zou overlijden. Ondertussen waren de door mij gealarmeerde hulpdiensten gearriveerd. Waar het midden in de nacht vandaan kwam mag Joost weten, maar ter plekke kwamen twee politieauto’s, een ambulance, een brandweerwagen en, logisch in winters Friesland, een Rayonhoofd van één van de elf Friese Rijkswaterstaatregio’s.

Tijdens het heen en weer gepraat tussen de hulpverleners en de eerlijke vinder van het bemande wrak, zijnde ikke, vroeg een politieagente: “Waar is die man eigenlijk?” Ik zei: “In mijn cabine,” waarop zij heel achteloos antwoorde: “O, dan moet het dak eraf.”

Gelukkig kwam net de ambulancebroeder vragen waar het slachtoffer was. Inwendig nog mopperend over de flauwe opmerking van de politieagente wees ik naar mijn truck: “Daar.” Nou mag u één keer raden wat die hospik toen zei. Inderdaad: “O, dan moet het dak eraf.” Ik besloot, verbaal, in te grijpen. “Hé, wie is er hier eigenlijk het slachtoffer: hij, of word  ik het?” 

Men overlegde even en nam het besluit de echte patiënt eerst even in de vrachtautocabine te controleren op nek- en rugschade, nog vóór het uitpakken van de hydraulische knipschaar. De man bleek helemaal niets te mankeren, ongelofelijk maar waar, en heel gelukkig voor mij. Hij hoefde zelfs niet mee met de ambulance. Maar wel met de politiewagen; dronken automobilisten die een ongeval veroorzaken hebben echt wel wat uit te leggen. En deze man was sowieso al een bekende van het Fryske Polytytym: openlijke geweldpleging en huiselijk geweld ( tante agent: “Vorige week nog!”…), openbare dronkenschap en… en… er was nog iets… o ja; openlijk rondrijden zonder rijbewijs. Nooit gehad ook, dat roze briefje. Dat konden ze dan in ieder geval ook niet meer innemen. Dat had hij zelf al genoeg gedaan, innemen.

Toen ik ’s morgens thuiskwam en het verhaal van wat er die nacht gebeurd vertelde, was mijn vrouw blij dat ik de gladheid en de toch wel in potentie gevaarlijke situatie overleefd had. Blij? Ze was meer dan blij: het dak ging eraf!

Marcel Heinsbroek