Clicky


110. ...Heb ik weer...

110. ...Heb ik weer...
17-03-2014 10:04 | Columns | auteur De Redactie

Het moet toch zelfs voor mij mogelijk zijn om één dag in mijn leven geen gezeur, gezeik, trammelant of andere vormen van, soms door mijzelf veroorzaakte, problemen te hebben? Nee dus...

Onderweg van Gouda naar Pernis met een tankcontainer waar ook al problemen mee waren, stopte ik even op parkeerplaats Maatveld. Bij het erbij gelegen tankstation wilde ik een drankje en een krantje kopen. Ik had een reactie gestuurd naar de Brievenrubriek van het Algemeen Dagblad, over eerder geplaatste brieven die onder elkaar waren afgedrukt en waar de eerste, de bovenste, ging over ‘escortdames’ en de tweede, de onderste, over ‘wipkippen’ (...) en ik was eigenlijk wel benieuwd of mijn brief geplaatst was.

Bij het uitstappen pakte ik niet alleen mijn portemonnee mee, maar ook een voorraadje afval: papiertjes, bekertjes, lege flesjes en snoeppapiertjes. Er staan in Nederland op de rustplaatsen langs de autosnelweg hele grote afvalbakken en daar dumpte ik de hele handel in. Inderdaad: de hele handel, want ik stond na dat dumpen met lege handen. Ik keek glazig, want brildragend, naar mijn handen en dacht: "Huh? Waar is mijn portemonn...nee hè?! Het zal toch niet…?"

Ja dus: in mijn opruimijver had ik niet alleen het afval maar ook mijn geldbuidel in de afvalbak geflikkerd. En zoals eerder al gemeld: die was hééél groot. Even een arm erin en dan het verloren voorwerp eruit vissen was er echt niet bij.

Oeioeioei; wat nu? Eerst de planner maar gebeld: "Het wordt wat later. Waarom? Eh..." Er werd luidkeels gelachen, maar ook ernstig gemopperd, want de planning voor die middag liep door dit akkefietje compleet in het honderd. Vervolgens vroeg ik bij het tankstation aan de kassier wie de eigenaar was van die grote afvalbakken. "Rijkswaterstaat, meneer", was het beleefde antwoord, "maar waarom…?" Tussen het gegrinnik door kreeg ik wel het telefoonnummer van de helpdesk van Rijkswaterstaat.

"Hihihihi...", ook de dame die in opdracht van de Staat der Nederlanden de telefoon aannam, kon zich niet inhouden. Zij trad in overleg met enkele anderen, waaronder wat Weginspecteurs, en vervolgens meldde de sympathieke dame mij dat ik mij telefonisch diende te vervoegen bij de firma Vermeulen.

Dit bedrijf verzorgt van alles en nog wat wat met De Weg te maken heeft: markeringen aanbrengen, vangrails onderhouden, maar ook het legen van (van onder andere portemonnees voorziene) vuilnisgerief. Via alweer een vriendelijke mevrouw werd ik in contact gebracht met Stefan, een van de troubleshooters van de Vermeulen Groep. Hij nam mijn probleem onmiddellijk serieus. "Bewaak die bak met je leven!" Niet zo moeilijk: mijn halve leven lag erin. Ik zou echt niet weglopen. “Normaal gesproken wordt deze afvalbak morgen (noot van de schrijver: dat is donderdag 14-3-2014) geleegd, maar daar laten we je niet op wachten. We komen er aan!”

Kijk, daar had ik wat aan: snelle actie. Ik stond er al zowat ’n uur, en begon het aardig zat te worden. Al die tijd buiten in de zon, bijna 20 graden, zonder een flesje fris erbij; ik vond het maar niks. Die zon was niet slecht, en die temperatuur ook niet, maar ik kon niks te drinken halen, want… laat maar.

Op de parking verscheen alras een grote truck met aanhanger van de fa. Vermeulen. Op de bok Sjors, en meegekomen met een bestelbus, ter ondersteuning, Rinus. Beide heren hebben ervaring met dit soort calamiteiten. Ze hadden zo’n haast om op mijn plek des onheils te komen dat er zoiets als een speciale hulpkoppeling aan de kraan ontbrak. Dan maar met de grijper.

Terwijl Sjors de steunpoten uitschoof en vervolgens de kraan bediende, legde Rinus mij uit dat ik niet de eerste, en waarschijnlijk ook niet de laatste was die verkeerde dingen in de vuilnisbak had gegooid. “Toen op parkeerplaatsen nog kleine Kliko’s stonden, zagen we nog wat er in die bakken zat. We troffen de gekste dingen aan. Veel portefeuilles, soms met alles er nog in, maar ook vaak leeg, dus meestal gejat, maar ook kunstgebitten, auto- en huissleutels, complete ameublementen, kleding, zelfs laptops zijn we tegengekomen. Nu de afvalbakken bovenin een afzetcontainer gelost worden hebben we wat minder zicht op de soms vreemde inhoud.”

Sjors had ondertussen met de knijper van de kraan de vuilcontainer van straat gehesen: de bodem klapte open en de licht dampende en niet eens zo erg stinkende inhoud viel er uit. Vervolgens mocht Marcelleke, met zijn werkhandschoentjes aan, roerend in de prut, op zoek naar zijn fortuin. Gelukkig niet in mijn eentje. De Vermeulen-mannen zochten net zo hard mee. Zij openden zakjes en doosjes om te zien of er iets in zat wat in mijn broekzak thuishoorde.

Remschijven, kapotte eieren en, zo te zien, kwekerijrestjes: er lag van alles wat. Er was niks van mij bij. Maar hieperdepiep hoera!; met amper tien minuten graven en graaien kwam het gewenste object tevoorschijn. De bodemklep van de vuilbak werd gesloten en gezamenlijk begonnen we aan het karwei van het weer vullen van het ding. We konden de troep moeilijk op straat laten liggen. Makkelijk laten liggen had wel gekund, maar ja: het ziet er dan niet uit.

Al met al had het hele avontuur amper anderhalf uur (pauze) geduurd.

Wat  ik hier nu van heb geleerd? Ik gooi langs de snelweg niets meer in de vuilnisbak: ik doe op de zaak de deuren wel open zodat alles er uit rolt. En ik koop onderweg geen krant meer want mijn brief was ook niet eens geplaatst.